zaterdag 2 juni 2018

26. Hoofd en hart



Als jong kind kon ik uren kijken, leerde ik patronen herkennen en verbanden zien. Bijvoorbeeld bij de bavianenrots in de dierentuin in Emmen, waar ik inzichten op heb gedaan die mij tot op de dag van vandaag met grote regelmaat binnenpretjes opleveren. Ja mensen, er zit veel meer aap in de mens (en vooral: meer zilverrug in veel mannen) dan je zo 123 zou denken.

Ik kan het niet helpen, ik ben geboren met een Analytisch Brein.

Uiteraard stond mijn analytische brein ook aan tijdens alle gebeurtenissen met Bram. En het hielp. Het hielp bij het in kaart brengen van de uitdagingen die er op ons pad kwamen en het hielp bij het vinden van oplossingen die bij hem en ons passen. Het hielp bij het vinden van de maatwerkoplossingen die Bram en wij nodig hebben.

Uiteraard zag ik met datzelfde analytische brein ook zaken die me verbaasden, die me soms blij of juist boos maakten, zaken waarvan ik dacht: ‘Hier ga ik het gesprek nog een keer over aan. Later, als er in mijn hoofd en hart ruimte voor is.’

Participeren kun je leren
Toen Bram twaalf jaar was, las ik een klein advertentietje in de krant. Er werd iemand gezocht die mee wilde praten in een klankbordgroep bij onze gemeente, de vacature betrof het onderwerp ‘hulpmiddelen’.  Ik wilde er graag meer over weten en schreef de gemeente. Ik werd uitgenodigd voor een gesprek en totaal onvoorbereid bleek ik een gesprek te hebben met wethouder Hermans. Na het gesprek bleek ik, bijna per ongeluk, lid van deze klankbordgroep. Niet lang daarna werd de klankbordgroep gesplitst in de wmo-raad en de klankbordgroep sociale zaken van onze gemeente, en zo zat ik na verloop van tijd in twee ‘participatie-organen’, in een tijd waarin dit iets nieuws was. En ik vond het leuk! Ik genoot van het contact met  de andere mensen in en buiten deze raden. Van hun verhalen,  van hun kracht en bevlogenheid. Ik genoot van de (vaak kleine) successen die we haalden, bijvoorbeeld als onze adviezen hun weg vonden in nota’s of in de werkwijze van de gemeente.

Ik leerde veel. Over wetten en regelgeving. Over de wijze waarop beleid tot stand komt, over de wijze waarop je daar invloed op kunt uitoefenen. Over hoe belangrijk informatie is en welke rol ‘timing’ daarin speelt. Dat participatie, zeker in die tijd, maar zeer zeker nog steeds, toch vaak iets is wat je gegund moet worden.

Ik vond het stoer van ambtenaren die met ons het gesprek aan gingen, gesprekken die soms emotioneel, en heel af en toe zelfs bedreigend moeten zijn overgekomen. Ik leerde dat de input soms gewaardeerd werd, en vaak ook niet. Ik leerde ook dat onze goedbedoelde adviezen niet altijd politiek goed uitkwamen. Of dat onze adviezen soms doelbewust werden gefrustreerd met de hulpmiddelen ‘tijdsklem’ of ‘informatieachterstand’. Het hielp enorm dat we goede ambtelijke ondersteuning hadden met een speciaal oog voor wat er ‘in de pijplijn zat’.

Ik  leerde ook de les die ik van thuis uit al kreeg: dat de toon de muziek maakt. En wat me daarbij hielp was mijn overtuiging dat al mijn gesprekspartners oprecht hun best wilden doen, dat iedereen goede bedoelingen heeft. Nou ja, bijna iedereen dan.

En vooral: ik leerde hoe weerbarstig de politieke en beleidsmatige wereld rond zorg en ondersteuning is.

Ik  leerde vooral ook dat het perspectief van de mensen waarom het gaat, vaak niet wordt meegenomen. Waarom dat zo is, dat is een vraag die me enorm bezig houdt, waar het antwoord ingewikkeld en uiteenlopend op is. Maar het heeft in belangrijke mate te maken met geld en met de vraag of met dat geld de juiste zaken op een efficiënte wijze worden gedaan. Met de verantwoording van de besteding van financiële middelen naar onze gemeenschap, die terecht en noodzakelijk is, maar waarbij we meer en meer vervallen in bureaucratie en controledrift, ingegeven door wantrouwen en gevoed door een desastreuze kokervisie en een heilig geloof in de maakbaarheid van de wereld.

Epilepsievereniging
In diezelfde periode ben ik ook actief geworden voor de epilepsievereniging. En daar leerde ik dat waar participatie op gemeentelijk niveau nog enigszins geborgd is, dit in de zorg rond kinderen als Bram helemaal niet is geregeld. Dit is helaas tot op de dag van vandaag het geval, en ik kan hier een boek over schrijven. Hoe zeer ook hier mensen hun best doen.
In die zes jaren voerde ik wekelijks telefonisch met twee tot drie ouders intensieve gesprekken, over de opgave die zij hadden om hun kind groot te brengen, hun kind met epilepsie en een intensieve zorgvraag.

Vaak sprak ik die mensen in een crisissituatie, bijvoorbeeld direct na de diagnose. Of tijdens een onverwachte en ingrijpende spoedopname. Ik sprak met hen over problemen over veiligheid van hun kind, de problemen met de ontwikkeling en het moeilijk verstaanbare gedrag, school, dagbesteding en het vervoer. Of de oververmoeidheid van ouders, hun relatie en seksualiteit. Over hun kinderwens. Over hun verdriet. Over het onbegrip in hun omgeving. Over de combinatie werk en zorgen, waarbij in bijna alle gevallen een van de ouders zijn/haar werk op moet geven. Over de gekmakende bureaucratie. Over het moeten aanpassen aan álle systemen, variërend van die van de apotheek tot aan die van het ziekenhuis en de zorgverzekering. Over de onzekerheid van leven met onbeantwoorde vragen over het verloop van de aandoening en de eventuele erfelijkheid ervan. Over nog veel en veel meer.

Opvallend vond ik dat de vragen over epilepsie veruit in de minderheid waren. Opvallend vond ik dat zaken die soms een grotere impact hadden op de kinderen, hun ouders en broertjes en zusjes, onbesproken bleven in de spreekkamer, maar ook bij de belangrijke stakeholders binnen de epilepsiezorg. Dat er geen aandacht voor was, en geen oplossing. Of is het andersom: is er sprake van handelingsverlegenheid, want geen oplossing? En dus hebben we het maar niet over?

De gesprekken met ouders hebben me gevormd. Ik heeft me geraakt dat zo veel ouders mij in vertrouwen hebben genomen en soms zeer persoonlijke dingen hebben verteld. Ik heb er veel van geleerd, als belangenbehartiger maar natuurlijk ook in mijn rol als moeder van Bram.

Ik neem al deze ‘input’ en leerpunten mee in mijn rugzak en gebruik het bij mijn werk als volksvertegenwoordiger in de gemeente Haarlemmermeer, en als voorzitter van de stichting die ik heb opgericht. Het is mijn oprechte overtuiging dat we veel en veel meer moeten luisteren naar mensen, dat we naast mensen moeten gaan staan, en op zoek moeten naar het maatwerk dat past bij deze unieke persoon en zijn omgeving.

Het is tijd om ons beleid, onze regels en onze systemen zo aan te passen, dat we de mensen om wie het gaat weer in beeld hebben.  Het kan niet anders dan dat het ook gaat gebeuren, want we hebben ook als Nederland het VNverdrag voor mensen met een beperking geratificeerd, de inclusieve samenleving staat hoog op de agenda. Er worden talloze congressen en cursussen  over Value Based Healthcare en patiëntgerichte zorg georganiseerd (overigens veelal uitsluitend bedoeld voor professionals). En: waar we in ons land zo hoog opgeven over kennis, daar vergeten we heel vaak ervaringskennis.

Ik ben een optimist en ik kan me niet voorstellen dat we over pakweg tien jaar terug denken aan deze tijd en dan niet verbaasd zijn dat veel mensen in 2018 nog dachten dat ze goed beleid konden maken zonder de input van de mensen voor wie dat beleid bedoeld is.

Binnen patiëntenorganisaties/koepels klinkt dit geluid sterker en sterker. Ik zing graag mee in dit koor. Het zal bijvoorbeeld de kernboodschap zijn van mijn lezing op het grote internationale epilepsiecongres in Wenen deze zomer. Ik vind het ontzettend spannend om op dat congres niet alleen vanuit mijn analytische brein te spreken maar vooral ook vanuit mijn hart als moeder en als belangenbehartiger. Maar ik ga het tóch doen….hadden ze me maar niet moeten uitnodigen!

dinsdag 6 februari 2018

Zorg delen


'Nee, dat is niet mogelijk', zegt de neuroloog die Bram al sinds hij drie jaar is behandelt, als ik hem vertel dat Bram naar een andere woning gaat verhuizen. 'Ik heb met mijn collega's de woningen verdeeld, en aan deze woning is iemand anders verbonden'.

Ik ben er even stil van. En opeens schieten de tranen me in de ogen. Negentien NEGENTIEN jaar was deze arts onze rots in de branding. 

Hij liep met ons op, besprak met ons uitslagen, medicatiewijzigingen. Dacht mee over oorzaken van de epilepsie. Ging met ons in gesprek over wat ik 'duivelse dilemma's' ben gaan noemen.

Kwam opdraven als Bram weer eens in een nonconvulsieve status epilepticus zat. 'Ik sta nu nog in de tuin, ik ben er over een half uur!' 'Nee, natuurlijk vind ik het niet vervelend als je belt, ik geef je mijn nummer voor dit soort situaties.'

En ook: bij hem kwamen we, met onze hele jonge Bram, toen nog maar drie jaar. Nog zonder helmpje. En nog helemaal 'een goed kind'. Behalve dan die klote-epilepsie. 

Ik memoreer wat er gebeurde tijdens dat eerste gesprek. Dat Bram toen in de ficus klom. Een grote plant op een tafeltje. 'Is goed hoor', zei hij toen we Bram probeerden af te remmen.

En nu, na bijna 2 decennia, is er een soort van afscheid. Is Bram meervoudig-gehandicapt. En heeft hij nog altijd aanvallen, die niet te behandelen zijn. Het doet pijn terug te denken aan ons optimisme van het begin.

En zit ik wéér in zijn spreekkamer, op deze ochtend. We maken weer een nieuw plan. Een plan voor Bram. Een plan dat waarschijnlijk niet gaat helpen, maar niet geschoten is altijd mis.  

Ik zit daar voor het laatst. 

Het voelt gek. Weemoedig. 

En ook: dankbaar. Want zorg delen is niet altijd makkelijk, maar soms wel. 



Antony and the Johnsons - Epilepsy Is Dancing

maandag 15 januari 2018

25. De kaarten leggen




Bart en ik doen het met regelmaat: de kaarten op tafel leggen. Spreekwoordelijke kaarten dan. Met die kaarten brengen we letterlijk in beeld wat er speelt in ons leven, en in het leven van onze kinderen. 

Na de lange opname van Bram, met de verdrietige uitkomst, moeten Bart en ik in gesprek met elkaar. Hoe gaan we vanaf hier verder als gezin? Wat staat er op de kaarten die we nu leggen?

De ‘belangenkaarten’
Bart en ik voeren allereerst gesprekken over wat Bram en onze dochters nodig hebben om op te groeien tot gelukkige volwassenen. 

Voor Bram is dat een ander verhaal dan voor Eva en Femke. Bram heeft voor alles tenminste nabijheid nodig van een volwassene. Hij moet letterlijk én figuurlijk veilig zijn. Bram kan door de aanvallen bijvoorbeeld vaak niet zelfstandig eten of drinken, bij iedere slok en hap is hulp nodig. Ook in andere situaties moet er, op geleide van hoe het gaat met zijn aanvallen en/of gedrag, nabijheid zijn en regelmatig ook overname van taken. 

Bart en ik vinden het daarnaast belangrijk dat Bram ervaringen opdoet, die hem een fijn gevoel geven. Er is (met de beste bedoelingen) thuis en op school vooral ingezet op wat niet goed gaat, op wat hij niet kan. Het is hoog tijd voor succeservaringen. 

Bram is bovendien slap en mager, hij moet bewegen en lekker buiten spelen en op zijn skelter fietsen. En op zijn leeftijd (hij is dan twaalf jaar) hoort daar ook bij dat je niet telkens met je moeder gezien wordt. 

Eva en Femke zijn ‘gewone’ kinderen. Zij moeten dus kunnen leven als ‘gewone’ kinderen: vriendjes en vriendinnen mee naar huis nemen, opgehaald worden na het spelen, naar zwemles, naar muziekles. Femke en Eva, dan zes en negen jaar oud, verdienen aandacht. Ze verdienen ouders die niet altijd gestressed zijn. Ze verdienen het om niet altijd geconfronteerd te worden met starende blikken vanwege hun broer. Ze verdienen het om gehoord en gezien te worden. 

Bart en ik praten over wat Bart nodig heeft om de combinatie van zorg en werken vol te houden. Over wat ik nodig heb. Het is een feit dat de zorg voor Bram ons zeer zwaar valt. Niet of onvoldoende slapen, veel aanvallen, gedrag, veel zorgen, omgaan met onverwachte zaken, altijd alert zijn, en daarnaast nog de zorg voor een jong gezin en werken, het is pittig. Wij staan al jaren in de overlevingsstand, en zo doorgaan is geen optie.

Wenskaarten
Er zijn kaarten met daarop de belangen van Bram, van Eva, van Femke, van Bart en van mij. Er zijn kaarten met wénsen. Wensen voor onze kinderen: een fijne jeugd hebben, opgroeien tot volwassen mensen die hun plek op de wereld goed kunnen innemen. En wensen voor ons: ik wens bijvoorbeeld dat ik nooit meer alleen thuis ben met drie kinderen. Ik zou heel graag een paar dagen per week ‘zorgenloos’ willen zijn om buitenshuis wat te kunnen betekenen (echt weer aan de betaalde arbeid durf ik voorlopig nog niet). Bart wenst dat hij rustig naar zijn werk kan gaan, en tijd heeft voor sport en hobbies. We wensen dat we tijd voor elkaar hebben, en dat we uitgeruster zijn. 

Oplossingskaarten
Nu we de belangenkaarten en de wensenkaarten hebben gelegd, is het tijd voor de kaarten met oplossingen. Er is met dank aan het maatschappelijk werk van de instelling een mooie kaart beschikbaar gekomen, en die is dat er eindelijk een goede zorgindicatie voor Bram is gekomen. Met het beschikbare persoonsgebonden budget (PGB) kunnen we zorg, ondersteuning en logeerdagen inkopen. 

Dat geld is cruciaal want zonder financiële middelen kunnen we geen structurele oplossingen vinden voor de knelpunten in ons gezin. Dat staat haaks op wat politici en beleidsmakers soms wel eens schijnen te denken: dat er vanzelf voldoende hulp komt vanuit familie, vrienden en bekenden. Natuurlijk is er wel degelijk hulp geboden, met name door mijn ouders. Maar de realiteit is weerbarstig en het aanbod van met name vrienden, buren en bekenden is vrijwel afwezig. Dat verwijten wij niemand: de hulp die nodig is, is te veel, te zwaar, te langdurig.

Wat wij bovendien lastig vinden: van wederkerigheid vanuit ons richting de beoogde (en schaarse) vrijwillige hulpverleners kan geen sprake zijn. Er is géén ruimte om ‘iets terug te doen’. 

Feit is ook dat als familieleden en vrienden gaan zorgen, de verhoudingen veranderen. Vrienden zijn, de zorg op je nemen en tegelijkertijd feedback op de uitvoering van de zorg geven en ontvangen, en vrienden blíjven? Lastig! (Schoon)ouders die veel in huis zijn om te helpen zorgen, worden mede-opvoeders van je kinderen. Waarbij nog komt:  de natuurlijke loyaliteit aan het ‘eigen kind’ kan de relatie met het schoonkind onder druk zetten, en veel stress veroorzaken. Ik neem mijn pet af voor de families waar dit goed lukt. 

We vinden onze eigen, passende oplossingen door de gehele week door te spreken en per tijdsblok te kijken welke oplossingen er zijn voor de uitdagingen en de wensen. 

De ochtenden bijvoorbeeld: opstaan, iedereen wassen/douchen en aankleden. Ontbijten. Eva en Femke naar hun school brengen, Bram naar zijn school brengen. We willen in de ochtend geen hulp van derden in ons gezin. We spreken af dat Bart meteen gaat douchen en ik in pyama het ontbijt maak, de meiden wakker maak en daarna Bram. Eva en Femke kleden zichzelf aan, ik kleed Bram aan. Als iedereen aan tafel zit, ontbijt ik snel, en smeer daarna boterhammen voor de kinderen. Daarna snel wassen en aankleden. Bart gaat pas naar zijn werk als ik weer beneden ben. Ik breng eerst Eva en Femke naar school, en ga daarna door met Bram naar zijn school die later begint. 

Na schooltijd: Bram komt voortaan met het schoolvervoer naar huis. Op maandag, dinsdag en vrijdag komt er na schooltijd iemand die zich met Bram bezighoudt, zodat ik tijd en aandacht kan geven aan de meiden en kan koken. Op maandag en dinsdag eet de hulp mee en blijft totdat Bram in bed ligt. Op vrijdag is Bart op tijd thuis. 

Op woensdag gaat Bram na schooltijd naar het logeerhuis op het instellingsterrein waar hij ook naar school gaat. Hij blijft daar ook donderdag slapen en komt vrijdag na schooltijd weer terug. Op de dagen dat Bram logeert, is het logeerhuis ook ‘achterwacht’: als hij niet naar school kan of van school gehaald moet worden, dan doet het personeel van het logeerhuis dat. Zij ondersteunen daarnaast op cruciale momenten op school, zoals bij het douchen na de gym en bij de kooklessen. 

Op zaterdagochtend komt er twee uur hulp. Dan kunnen wij samen even boodschappen doen. Of gewoon een kop koffie drinken. Of de hond uitlaten. 

We zoeken en vinden goede hulpen. Een paar studenten. Een lieve mevrouw via een instelling. 

We hebben ook bedacht wat we graag willen afspreken met onze nieuwe hulptroepen. Daar hoort bijvoorbeeld bij dat ze flexibel zijn. Tijdens de schoolvakanties is het bijvoorbeeld fijn als ze op andere tijden kunnen komen. We spreken ook af dat ze vertrouwelijk omgaan met informatie over ons gezin. Ze zijn immers werkzaam binnen ons gezin, en dat is best intiem. 

Ongeveer een half jaar na het leggen van de kaarten is ons zorgteam op orde en is iedereen ingewerkt. Dat geeft de rust en ruimte waar we zo naar op zoek waren.

‘He deals the cards to find the answer.
The sacred geometry of chance’